external image th_rozeQuiz1.gifexternal image th_rozeQuiz2.gifexternal image th_rozeQuiz3.gifexternal image th_rozeQuiz4.gif
external image th_rozeQuiz5.gifexternal image th_rozeQuiz6.gifexternal image th_rozeQuiz7.gif

De cel
external image Naamloos-1.jpg?t=1277821916
De wand van de cel heet het celmembraan. Het celmembraan is semi-permeable, (half-doorlaatbaar) er kunnen alleen stoffen door de celwand als de cel deze stoffen nodig heeft. Ook de afvalstoffen kunnen door de celwand heen. De cel bestaat uit cytoplasma, in het cytoplasma zitten opgeloste stoffen en zuurstof.
In het midden van de cel zit de celkern, om de celkern zit een kernmembraan. In de celkern zit kernplasma en in dit plasma zitten de chromosomen. De chromosomen bevatten erfelijke informatie, elk mens heeft 46 chromosomen (23 paren).

Celdeling
Er zijn twee soorten celdelingen mitose en meiose.

Celdeling
Vindt plaats in
Wat gebeurd er
Filmpje
Mitose
Spiercellen
Huidcellen
Bloedcellen
De chromosomen verdubbelen zich en gaan in paren uit elkaar.
Ze worden naar de polen (boven en onder) getrokken door de
cellichaampjes waarna er 2 nieuwe cellen ontstaan.
Mitose 1
Mitose 2
Meiose
Rijpe geslachtscellen
De chromosomen verdubbelen zich niet maar de chromosoom
paren worden uit elkaar getrokken naar de polen door de
cellichaampjes.
De cel splitst zich en er ontstaan 2 cellen met 23 chromosomen.
Er worden 23 chromosomen van de man en 23 chromosomen
de vrouw bij elkaar gevoegd waardoor je weer 46 chromosomen
hebt in een cel.
Meiose

Weefsels
Weefsel is een groep cellen met gelijke of vergelijkbare functie die met elkaar verbonden zijn en samenwerken om een specifieke taak uit te voeren.

Weefsel kenmerken
  • Dicht aaneengesloten cellen
    (barrière tegen schadelijke invloed)
  • Vormt grenzen
    (huid, darmkanaal)
  • Heel weinig intercellulaire stof
  • Aangehecht op een basaalmembraan

Functies van weefsel
  • Bekleding van het organisme buiten en binnen (huid, darmwand)
  • Opname van stoffen (longen, darmwand)
  • Afscheiden van stoffen (klieren, nieren)
  • Opnemen van prikkels (neuro-epitheel)
  • Samentrekken (spierweefsel)

We kennen meerdere weefsels:
  • Epitheelweefsel
  • Bindweefsel en steunweefsel
    • Beenweefsel
    • Bloed en lymfe
    • Vetweefsel
    • Kraakbeenweefsel
    • Bindweefsels (losmazig, vast en dicht/straf)
  • Spierweefsel
  • Zenuwweefsel

Epitheelweefsel
We kennen 6 soorten epitheel weefsels:

  • (Eenlagig) kubischepitheel weefsel
  • Eenlagig plat / Plaveisel epitheel weefsel
  • Meerlagig plat / Plaveisel epitheel weefsel
  • Meerlagig cilindrisch epitheel weefsel
  • Eenlagig cilindrisch epitheel weefsel
  • Pseudogelaagd trilharig epitheel weefsel
  • Klierweefsel

Eenlagig epitheel bestaat uit 1 laag cellen.
Een voorbeeld is in de binnenkant van alle bloedvaten.
Meerlagig epitheel bestaat uit meerdere lagen cellen.
Een voorbeeld is de opperhuid

external image 1-1.jpg?t=1277813076

(Eenlagig) Kubisch epitheel
external image 4.jpg?t=1277813623Dit zijn vierkante cellen die ronde kernen hebben midden in de cel.
Kubisch epitheel vind je in:

  • Nieren

Plat / Plaveisel epitheel
Plat / Plaveisel epitheel zijn platte cellen. Er zijn 2 soorten eenlagig en meerlagig plat epitheel. Meerlagig is te verdelen in verhoornd en niet verhoornd.
Eenlagig:
external image 2-1.jpg?t=1277813875
Eenlagig plat epitheel komt voor in:

  • Binnenkant bloed en lymfe vaten (zie plaatje hierboven)
  • In de luchtpijptakjes
Meerlagig:
external image 6.jpg?t=1277813773 verhoornd
Meerlagig plat epitheel verhoornd komt voor in:
  • De opperhuid (hoornlaag)
external image 7.jpg?t=1277813837niet verhoornd
Meerlagig plat epitheel niet verhoornd komt voor in:
  • Mond
  • Slokdarm
  • De opperhuid

Cilindrisch epitheel
external image 5.jpg?t=1277814358Cilindrisch epitheel zijn hoge cellen. De celkernen zijn langgerekt.
Cilindrisch epitheel verhoornd komt voor in:

  • De maag
  • Slijmvlies van de darmen
  • Afvoerbuizen van klieren

Pseudogelaagd trilharig epitheel
external image 8.jpg?t=1277814571 Pseudogelaagd trilharig epitheel cellen zijn bijna cilindrisch. Een kenmerk van dit epitheelweefsel is dat er slijmbeker cellen in zitten (goblet cells op het plaatje) Dit zorgt voor de slijm op het weefsel. De cellen hebben aan de wand trilhaartjes zitten. Deze trilhaartjes zorgen samen met het slijm dat vuil en bacteriën opgevangen worden en uitgescheiden worden.
Pseudogelaagd trilharig epitheel komt voor in:

  • De neusholte
  • De luchtpijp
  • Het middenoor
  • De eileider

Klierweefsel
Soorten klieren
Buisvormige klieren
Zweetklieren

Trosvormige klieren
Talg en melkklieren

Klieren zonder afvoerbuis
Hormoonklieren
Hypofyse
Schildklier
Klieren scheiden op verschillende manieren af. We kennen twee soorten manieren van afscheiden exocrien en endocrien.
Exocriene klieren zijn klieren met een afvoer buis. Er zijn 3 soorten exocriene klieren:
  • Eccriene klieren: scheidt de stoffen af waarbij de kliercel behouden blijft.
    Voorbeeld: speekselklier en kleine zweetklier.
  • Apocriene klieren: scheidt de stoffen af waarbij de kliercel voor een deel wordt afgescheiden.
    Voorbeeld: grote zweetklier (in de oksel), melkklieren en oorsmeerklieren.
  • Holocriene klieren: scheidt de stoffen af waarbij de gehele kliercel wordt afgescheiden.
    Voorbeeld: talgklier
Endocriene klieren zijn klieren zonder afvoer buis. De klier geeft de stoffen gelijk aan het bloed af. Een voorbeeld hiervan zijn de hormoonklieren.
Endo-exocriene klieren zijn klieren die een afvoerbuis hebben maar ook stoffen kunnen afleveren aan het bloed. Bijvoorbeeld de geslachtsklieren en de alvleesklier.
Het afscheiden van stoffen wordt op 3 manieren benoemd:
Naam
Wat scheidt het uit
Hoe wordt het product genoemd
Bevindt zich
Incretie
Stoffen die nuttig zijn voor het lichaam
Increet
Hormoonklieren
Secretie
Stoffen die nuttig zijn voor het lichaam worden
gelijk in de bloedbaan uitgescheiden
Secreet
Speekselklieren
Talgklieren
Excretie
Uitscheiden van afvalstoffen
Excreet
Zweetklieren
Longen
Nieren

Bind en steunweefsel
  • Beenweefsel
  • Bloed en lymfe
  • Vetweefsel
  • Kraakbeenweefsel
  • Bindweefsels (losmazig, vast en dicht/straf)

Functies van bind en steunweefsel
  • In stand houden van de vorm van het lichaam
  • Bijeenhouden van zeer zachte weefsels
  • Afweer
  • Voeding


Beenweefsel
external image 5-1.jpg?t=1277817762

Soorten beenweefsel:
  • compact
  • spongieus

Functie
  • bescherming
  • steun
  • vormgeving
  • bloedcelvorming
  • aanhechtingsplaats spieren

Bloed en lymfe
external image 6-1.jpg?t=1277818011

Vetweefsel
external image 2-2.jpg?t=1277817387
Functie van vetweefsel:
  • Bepaald de vorm van het lichaam
  • Isolatie
  • Stootkussen
  • Opvulling

Kraakbeenweefsel
external image 3-1.jpg?t=1277817623
Soorten kraakbeenweefsel:
  • Elastisch kraakbeen
    Bevindt zich in de oorschelp
  • Glasachtig/hyalien kraakbeen
    Bevindt zich in de neus en de verbinding van de ribben
  • Vezelig kraakbeen
    Bevindt zich in de tussenwervelschijven

Functie:

  • vormgevend
  • beschermend
  • verbindend
  • schokopvanging

Bindweefsel
Bindweefsel is opgebouwd uit drie soorten vezels
  • Collageen (trekvast)
  • Elastische (weinig trekvast)
  • Reticuline (dun, vertakt)
  • Weefselvloeistof
    • Water
Soort bindweefsel
Eigenschappen
Komt voor in
Losmazig bindweefsel
Losse structuur
Bevat veel elastische vezels.
Onderhuidsbindweefsel
Rond de organen
Dicht / Straf bindweefsel
Bevat ongeveer een gelijk aantal collagene vezels en elastische vezels
etlaag / Lederhuid
Vast bindweefsel
Veel collagene vezels.
Stevige structuur
Gewrichtsbanden
Pezen
Gewrichtkapsels

Spierweefsel
Er zijn drie soorten spierweefsel:
  • Skeletspierweefsel
    • Snel, actief, maar snel vermoeid
    • Rompspieren
    • Grotendeels willekeurig
external image 2-3.jpg?t=1277820339
  • Hartspierweefsel
    • Snel, actief, niet vermoeid
    • Grotendeels onwillekeurig (niet helemaal)
external image 2-3.jpg?t=1277820339
  • Gladspierweefsel
    • Traag, maar met groot uithoudingsvermogen
    • Grotendeels onwillekeurig
external image 3-2.jpg?t=1277819301

Zenuwweefsel
Zenuwweefsel is opgebouwd uit zenuwcellen, neuron genoemd. Een neuron is het cellichaam met daarin een celkern. Aan de neuron zitten dendrieten die de prikkels ontvangen en één neuriet (de axon) die de prikkels verstuurd naar een andere neuron. Om de axon zit een myeline schede, dit is een vetachtige stof die helpt met het geleiden van prikkels.

external image Naamloos.jpg?t=1277820671